Suriname onafhankelijk

Aan de onafhankelijkheid van Suriname ging veel vooraf. In 1942 hield koningin Wilhelmina een toespraak op Radio Oranje, waarin zij aankondigde dat de Nederlandse koloniën na de oorlog meer vrijheid zouden krijgen. Een belangrijk keerpunt kwam in 1954 met de ondertekening van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Daarmee werd de formele afhankelijkheid van Nederland beperkt. Suriname en de andere Nederlandse gebieden in het Caribisch gebied mochten vanaf dat moment hun interne aangelegenheden zelf behartigen.

In de jaren zeventig steunde het progressieve kabinet-Den Uyl het Surinaamse streven naar onafhankelijkheid. Vanaf 1973 werkte Nederland mee aan een snelle voorbereiding op de onafhankelijkheid. Deze aankondiging leidde tot grote onrust: veel Surinamers verlieten het land uit vrees voor de toekomst. Omdat zij de Nederlandse nationaliteit hadden, konden zij zich gemakkelijk in Nederland vestigen.

Ook binnen de Surinaamse politiek groeide de verdeeldheid. De oppositie vreesde dat een te snelle onafhankelijkheid tot chaos zou leiden. De nieuwe grondwet moest nog worden opgesteld en de sociaal-economische situatie was zorgwekkend. Structurele werkloosheid en toenemende armoede zetten de samenleving onder druk.

Toch werd in 1975 een volgende stap gezet. Op 25 november tekenden koningin Juliana en minister-president Den Uyl namens Nederland de Akte van Erkenning van de Republiek Suriname. Namens Suriname zette premier Henck Arron zijn handtekening. Bij de officiële plechtigheden in Paramaribo waren kroonprinses Beatrix, prins Claus en premier Joop den Uyl aanwezig. De laatste gouverneur, Johan Ferrier, werd de eerste president van het onafhankelijke Suriname.

Er werd overeengekomen dat Nederland 3,5 miljard Nederlandse gulden aan ontwikkelingshulp zou verstrekken, bestemd voor een periode van tien tot vijftien jaar.

1 reacties / suggesties

  1. 5 maart 2026 om 15:39

    “test” –> goed